Conversietherapie

Betekent het verbod op conversietherapie hetzelfde voor homo’s als voor trans?

Wetgeving en onderzoek
In Nederland is er wetgeving in de maak om conversie therapie voor homoseksualiteit, therapie waarbij homo’s zouden worden “genezen” van hun homoseksualiteit, te verbieden.  Behalve dat het eigenlijk helemaal niet werkt, is het buitengewoon wreed om mensen te ‘straffen’ voor gevoelens die alleen henzelf aan gaan. 

In het rapport ”een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland” wordt in de titel dus ook genderidentiteit genoemd, terwijl het rapport bijna alleen over homo’s gaat. 

Opvallend is de volgende ervaring (blz 104):

Pogingen tot conversie zijn echter niet exclusief te relateren aan de religieuze bewegingen. Er zijn namelijk ook respondenten die op een andere wijze met conversie te maken hebben gehad. Zo beschrijft een homoseksuele man dat hij in therapie is geweest na aandrang vanuit het COC, want ‘mijn gevoelens van homoseksualiteit konden weleens inhouden dat ik transgender ben en me als vrouw prettiger zou voelen. Als transgender zou ik dan ook hetero zijn en dus minder worstelen met mijn gevoelens voor mannen. Ik voelde me gepusht om transgender te worden. Het heeft me jaren gekost om te accepteren dat homo- zijn niet erg is’

Meeliften
Actiegroepen hebben wel steeds meer invloed op de politiek en gezondheidszorg en eisen dat ‘transgender zijn’ beschouwd wordt als een aangeboren en vaststaande identiteit, waar geen vragen over gesteld mogen worden en dat dat uit de hoek van de psychische problemen gehaald moet worden. Als conversietherapie voor homo’s verboden wordt en een begrip als genderidentiteit meelift in die wet, heeft dat verregaande consequenties, omdat in een therapie deze genderidentiteit dan misschien niet meer onderzocht mag worden, terwijl er wel een zwaar medisch traject aan verbonden kan worden, met onomkeerbare ingrepen, zoals je hier, hier en hier kunt zien.
Ook is er vaak sprake van bijkomende  psychische problematiek. Mensen, vooral jongeren, kunnen op internet op zoek gaan naar de oorzaak van hun psychisch onbehagen en onder invloed van transgender-gemeenschappen denken dat zoiets als hun genderidentiteit ook voor hun de oorzaak en oplossing van alle problemen kan zijn. Bij meisjes is er ook vaak invloed van vriendengroepen.
Voor homoseksuelen is de situatie natuurlijk geheel anders.

Jongeren
Als het over ‘transgender’ jeugd gaat, wordt er vaak gewezen op de noodzaak om net voor de puberteit te beginnen met behandelen met puberteitsblokkers. Er wordt gewezen op de risico’s die onbehandelde ‘transgender’jongeren zouden lopen als ze niet op die manier behandeld worden: later, als ze natuurlijke puberteit doorlopen hebben, lijken ze minder op het geslacht dat ze willen zijn, maar ook direct, omdat hun dysforie tot grote psychische problemen leidt en dat onderzoek naar de aard van hun dysforie ook erg zwaar voor ze is. 

Invloedrijk onderzoek
Zo verscheen er In september 2019 in de JAMA (Journal of the American Medical Association) Psychiatry een artikel met de titel: ‘Association Between Recalled Exposure to Gender Identity Conversion Efforts and Psychological Distress and Suicide Attempts Among Transgender Adults‘van Jack Turban en Noor Beckwith (psychiaters) en Sari Reisner (epidemioloog). De hoofdauteur, Jack Turban is een bekende pleitbezorger voor ‘trans rechten’ en medische behandeling van personen die zich als trans identificeren. De conclusie van dit artikel, dat therapie die niet gericht is op bevestigen van de ‘genderidentiteit’ schade veroorzaakt, wordt wereldwijd gebruikt om  al deze therapieën te bestempelen als conversie therapie  en als zodanig uit te bannen.

Kanttekeningen en bezwaren
In dit essay zetten Roberto D’Angelo en anderen uiteen waarom het artikel van Turban e.a. een slechte studie is die nooit gepubliceerd had mogen worden in een wetenschappelijk tijdschrift. Het is de verkorte versie van een artikel dat geplaatst is in het tijdschrift “Archives of Sexual Behavior” .

Het artikel van Turban e.a. was gebaseerd op een vraag in de 2015 US Transgender Survey

“Heeft een professional (als een psycholoog, begeleider, religieus adviseur) ooit geprobeerd om je te laten identificeren met alleen het geslacht waarmee je geboren bent (in andere woorden, geprobeerd je te laten stoppen met trans zijn?”

De mentale gezondheid van degenen die hier met ‘ja’ op antwoordden leek slechter te zijn dan degenen die ‘nee’ invulden. Hieruit werd de de conclusie over schadelijkheid getrokken en gepleit voor bevestigende therapie bij kinderen, pubers en volwassenen.

Problemen met deze studie:

De data. 

De deelnemers waren geworven via transactivistische groepen geworven en waren niet representatief (vergeleken met andere studies) en soms zelfs vermoedelijk niet eerlijk.  Er was bijvoorbeeld een hoog percentage precies achttien jaar. Mensen die ooit gedacht hadden dat ze trans waren, maar later niet meer, werden actief geweerd uit de studie (bedenk hoe slecht het voor deze groep geweest zou zijn als alleen maar bevestigd was geweest dat ze van het andere geslacht zouden zijn).

De vraag.

De vraag is niet specifiek genoeg, omdat het over een brede groep professionals (religieus en medisch!)  gaat en niet uitgediept wordt of de deelnemer er heen werd gestuurd of het zelf gezocht had. Ging het om een diagnose of om therapie? Ging het om genderdysforie of om andere psychische problemen? Bovendien heeft de vraag een emotionele lading.

De interpretatie van de data.

Er werd gevonden dat degenen die ‘ja’ op de vraag hadden gezegd, meer psychische problemen rapporteerden in verdere vragen. De interpretatie was dat pogingen om transgenders ‘te laten stoppen met transgender zijn’ tot psychische schade leiden. Maar hun scores waren dermate hoog, dat er aanwijzingen zijn voor ernstige psychische ziekten volgens de DSM-classificatie (zoals schizofrenie en bipolaire stoornissen). Er zijn geen data over hoe de deelnemers zich voelden voor ze blootgesteld waren aan de pogingen van professionals om zich te identificeren in hun geboortegeslacht. Een even juiste conclusie zou kunnen zijn, dat mensen met ernstige psychische problemen iets gauw als conversie therapie ervaren. Of dat de pogingen van professionals om eerst die problemen aan te pakken, aanleiding hebben gegeven om de vraag met ‘ja’ te beantwoorden. En dat terwijl er sowieso veel transgender-identificerende mensen zijn met andere psychische problematiek. 

De conclusie

De conclusie van deze studie is vooral voor zeer kwetsbare groepen schadelijk.

-Een meisje dat bijvoorbeeld slachtoffer is van seksueel geweld kan een dermate grote hekel aan haar lichaam krijgen dat ze haar lichaam wil veranderen. Een bevestigende therapie zal haar nooit helpen met deze problemen.

-Een jongen die zich anders gedraagt dan er van jongens verwacht wordt en daardoor gepest en getraumatiseerd wordt, kan ook een geslachtsverandering als oplossing zien.

-Veel jonge homoseksuelen maken vaak een periode van “cross-sex” gedrag door wat soms gezien wordt als genderdysforie. Ook kan opgroeien in een homofobe familie leiden tot op zich zelf gerichte homofobie. Bevestigende therapie wordt zo homo-conversie therapie. 

Gezien de risico’s van puberteitsblokkers, cross-sex hormonen en  chirurgie en de weinige gegevens over tevredenheid of spijt op lange termijn bij jonge transgenders, moet niet alle neutrale psychotherapie gestigmatiseerd worden als conversie therapie. Want het belangrijkste motto in de geneeskunde is toch: allereerst, richt geen schade aan!!

Hier vind je de wetenschappelijke uiteenzetting met de bovengenoemde bezwaren.

Samengevat

Conversie-therapie voor homo’s is niet hetzelfde als voor transgenders en moeten niet in één wet beschreven worden en zeker niet verward worden met onderzoekende, neutrale therapie voor transgenders. Erger nog, als in therapie de genderproblematiek niet goed onderzocht wordt, kunnen er drastische en onomkeerbare medische behandelingen verricht worden. Trans-therapie kan zo “homo-conversie”-therapie worden (“Transing the gay away”).